IMG_6267Documentaires Not in Vain en Slag om de Schelde

De vierde en laatste lezing in het thema ‘Gewone mensen in ongewone omstandigheden’ betreft de mensen in de geallieerde legers, en met name de Canadese militairen. Dat dit ook allemaal ‘gewone jongens’ waren maakt deze lezing eens te meer duidelijk. En omdat sommigen die inleider Robert Catsburg heeft gesproken, in Bergen op Zoom waren in 1944, kregen de aanwezigen extra informatie over de strijd die van 28 tot 30 oktober aan de boorden van de Zoom is gevoerd.
Catsburg is chemicus van huis uit, maar heeft van jongs af aan een fascinatie met het oorlogsverleden in zijn woonomgeving. Afkomstig uit Zeeuws Vlaanderen, en woonachtig in Welberg neemt de Slag om de Schelde een belangrijk deel van zijn interesse in beslag. Hij heeft hierover meerdere boeken en publicaties op zijn naam staan. Voor zijn werk ontving hij zelfs een onderscheiding van het South Alberta regiment.
Vijf dagen in november’ Dit als naslagwerk te beschouwen document bevat een gedetailleerde reconstructie van de gevechten die vooraf gingen aan de bevrijding van Welberg en Steenbergen; ‘Van zeedijk naar sawa met de kapotte schoen’ vertelt over een groep Steenbergse en Dinteloordse jongens die als soldaat in West-Brabant en in Indië in het ‘kapotte schoen’-bataljon dienden. Deze boeken verschenen respectievelijk Jaarboek 2009 en 2011/2012 bij de heemkundekring ‘De Steenen Kamer’.
Raketten over Steenbergen ’ beschrijft de beschieting van Antwerpen middels V1’s en de gevolgen daarvan voor het zich onder de vluchtroute van deze vliegende bommen bevindende gebied en de bevolking.

Een veel omvattende lezing, waarvan niet alle aspecten in dit toch al lange verslag zijn opgenomen

Een veelomvattede lezing, waarvan niet alle aspecten in dit toch al lange verslag zijn opgenomen

Catsburg past voor zijn publicaties vooral z.g.n. oral history toe. Gesprekken met veteranen in Canada legt hij vast en citeert dezen tijdens zijn lezingen. Hij legde uit hoe Canada als land tijdens het Interbellum nog niet een echte staat was, maar vooral keek naar wat door ‘the Motherland’ Engeland op prijs werd gesteld. Toch kende het niet de Engelse klassenstructuur uit geboorterecht. Dat kon ook niet omdat het merendeel van de bevolking uit eerste en tweede generatie immigranten bestond. Niettemin was er wel een segregatie in economische klassen. Daarnaast was er een soort positieve discriminatie voor Britse immigranten. Deze konden al na één jaar na aankomst het Canadese citizenship aanvragen. Mensen van andere herkomst moesten daar langer op wachten. Zo volgde Canada als land een politieke koers die op Engeland was afgestemd.
Toch groeide het zelfbewustzijn van de staat Canada. De overwinning in 1917 op de Duitsers bij Vimy, N van Arras, bekend als the battle of Vimy Ridge maakte dat veel Canadezen zich niet Engels maar vooral Canadees voelden. Canada had een klein leger van vrijwilligers, maar in 1940 werd een wet aangenomen die mannen en vrouwen verplichtte tot ‘home service’, werken voor oorlogstijd, maar niet tot uitzending naar het front. Dat veranderde in 1944, toen er te weinig recruten waren om de verliezen na D-day te compenseren. (al in 1942 had een meerderheid zich in een referendum uitgesproken vóór dienstplicht; Zie ook Military history of Canada during WWII)
Desondanks waren er toen al velen die zich vrijwillig meldden, uit alle lagen van de samenleving. De redenen waarom zij dienst namen was wel verschillend. Studenten gingen omdat dat als ‘norm’ beschouwd werd in hun kringen, anderen ontvluchtten de armoe van het platteland en nog anderen zagen kansen om door de zekerheid van het dienstverband maatschappelijk wat verder te komen. Vooral luchtmacht en marine waren in trek. Met vrijwillige aanmelding probeerde men de oproep voor dienstplicht vóór te blijven en zo zelf een regiment te kunnen kiezen waar men bij wilde dienen.

Persoonlijke argumenten van veteranen

Persoonlijke argumenten van veteranen

De overwegingen voor dienst nemen in het Canadese leger werd dus vooral ingegeven door sociale factoren. Ook de naweeën van de crisis (werkloosheid en armoe) speelden een grote rol. Verheerlijking van oorlog (helden!) en het Britse patriottisme completeerden het sentiment.

Als bekend wordt dat bepaalde bataljons naar het bedreigde Engeland (the Motherland) gaan ontstaat een rush om bij deze bataljons te kunnen komen. Het avontuur lokt. Het is dus zeker niet zo dat de Canadese jongens het idee hadden om België of Nederland te bevrijden. Dat kwam op hun weg.
Recruten kregen hun training in Engeland. De soldaten werden onderworpen aan ‘battle field conditions’, terwijl de manschappen onder prikkeldraad door de modder kropen werd met scherp over ze heen geschoten. Met zgn. Route Marches werden vele kilometers afgelegd. ‘Beter zweet verspillen dan bloed’ was het motto. De omstandigheden aan het front waren zwaar fitte manschappen hadden meer kans op overleven. Met deze trainingen werden nieuwe wapens en tactieken ontwikkeld en verbeterd om de Atlantikwal te doorbreken. Zo werd een groot aantal speciale wapens ontwikkeld die vele geallieerde soldaten het leven zouden redden. De amfibische voertuigen waren een absolute tactische verrassing voor de Duitsers omdat die over de Schelde voeren om troepen aan land te zetten in Vlissingen, Baarland en Hoofdplaat.

Aan het front
Een Canadese infanterist met volledige uitrusting

Een Canadese infanterist met volledige uitrusting

De praktijk van van het front leerden de recruten overigens pas kennen als ze ter plekke waren. Om de situatie te schetsen moge het volgende citaat dienen uit een gesprek van een Canadese officier met een radioreporter in november 1944:
” …. Weet u hoe het is? Natuurlijk weet u dat niet! U hebt nooit geslapen in een gat in de grond, dat uzelf groef, terwijl iemand u probeerde te doden. Het gat is een open graf, maar graven staan niet onder water. Graven zijn geen broeinesten van wespen en muggen. Je voelt er geen koude, klamme nattigheid, die in je botten dringt.
’s Avonds probeert de infanterist wat planken of een oude deur te bemachtigen, die hij over één zijde van zijn schuttersput legt, met daarop zoveel mogelijk modder als hij bij elkaar kan schrapen. Hij slaapt met zijn hoofd onder dat afdak, niet vanwege de regen, maar om zijn hoofd en borst te beschermen tegen de luchtdruk. Overdag is hij een kettingroker, vloekt of bidt, liggende op zijn buik met zijn handen onder zijn borst om de pijn van de luchtdruk minder te voelen. ’s Nachts is roken taboe. Als ze met zijn tweeën een mangat hebben, zit ieder aan één kant, met het hoofd tussen de knieën en worden er zinloze opmerkingen gemaakt, in de trant van: ik denk dat er nu een granaat in het 12e peloton is gevallen”. (uit The 85 days, De slag om de Schelde. Thompson, 1957)

Als recruut werd je bij aankomst aan het front eigenlijk meteen in het diepe gegooid. Dat kan ook niet anders, omdat een projectiel geen onderscheid maakt. De angst kan echter zó allesoverheerend zijn dat nieuwelingen de bescherming van het schuttersputje verlaten en dan de eerste nacht de beste omkomen. Dit gebeurde volgens veteranen met enige regelmaat.
Tankpersoneel was ondanks het stalen omhulsel niet beter af. Een voltreffer door Duitse tanks en anti-tankwapens deed in de tank de staalsplinters door de ruimte vliegen zette de stalen doodskist in vlammen. De Sherman tank reed immers op benzine. Tanksoldaten hadden grote kans op zware brandwonden. Ook hier dus angst: zittend in het voertuig ben je blind en elke seconde kan de hel kon losbarsten. Een granaat hoor je niet aankomen, hij gaat sneller dan het geluid.

Natuurlijk deden soldaten meer dan aanvallen en vechten. Eten was een belangrijk punt. In een bepaalde pantserdivisie zorgden ze zelf voor eten. Er was altijd voldoende benzine. Vul een biscuit blik met zand en benzine je hebt een goed kooktoestel, een ‘Tommy cooker’. De slagers onder het personeel zorgden dat er regelmatig een karkas aan de loop van de tank hing om te besterven. En een gewond dier van een boerderij moest natuurlijk uit zijn lijden worden geholpen. Tijdens acties was de koken niet zomaar mogelijk. Dan maakte men gebruik van de bekende noodrantsoenen. Harde biscuits, snoepjes en met vitamines verrijkte chocolade. Natuurlijk zat elk pakket vol met sigaretten. In die tijd een even belangrijk als voedsel.
Een bijna nog belangrijker aspect in het veld is de hygiëne. Ook soldaten moeten hun behoefte doen. In een slit trench onder vuur is dit een lastige en gevaarlijke operatie. (een slit trench is een ondiepe kuil waarin je alleen liggend kunt schuilen) Plassen ging wel, een blikje was makkelijk te vullen en over de rand te gieten zonder te veel gevaar. Het zwaardere werk gaf reden tot ongerustheid. Een goede eenheid groef in de nabijheid een latrine. Een gat in de grond met een balk om te zitten. Maar velen werden met de broek op de enkels verrast door een mortiergranaat.

De dood kwam onverwacht en zonder aanziens des persoons. Elke dag miste je in je sectie wel 1 of 2 man. Meestal als gevolg van scherfwonden, veroorzaakt door mortiergranaten. Soms door zware gevechten een tiental man op 1 dag. Als je tijd was gekomen dan was het zo. Slim , dom, ervaren of niet, het maakte niet uit. De dood werkte zonder aanziens des persoons, kwestie van de verkeerde plaats op het verkeerde moment.
Niemand is in staat om dit soort omstandigheden langere tijd te doorstaan zonder gek te worden. Iedereen breekt als de angst gaat overheersen. Sommigen zijn na een minuut al op. Dit is geen schande en normaal. Veteranen die echte actie hebben meegemaakt spreken ook niet schamper over kameraden die ‘bom happy’ of ‘shell shock’ werden afgevoerd. De algemene gedachte om vol te houden was “Let’s get the damned thing over with” … laten we deze verdoemde klus afmaken dan kunnen we naar huis. Dat zeiden veteranen heel vaak in gesprekken met Catsburg.

De strijd aan de Zoom
Een kaart uit 1944 met een transparant waarop de troepenbewegingen zijn aangegeven

Een kaart uit 1944 met een transparant waarop de troepenbewegingen zijn aangegeven. Klik met rechter muisknop en open in een nieuw tabblad voor de grootste weergave

Niet veel burgers in de stad zullen dit allemaal beseft hebben toen op 27 oktober de Duitsers de stad verlieten en de eerste Canadese tanks via de Huybergsebaan binnenrolden. Het laatste stukje van deze weg binnen de bebouwde kom heet sindsdien Canadalaan. Enkele dagboeken, zoals dat van Marie van Dierendonk en dat van Jo Huisman geven een summiere indruk van hetgeen de burgerbevolking bij het passeren van het front meemaakte.
Er zijn echter ook verhalen van Canadese militairen die betrokken waren in de strijd die hier werd gestreden. In deze verhalen lees je precies waar wat gebeurde, en toch waan je je in een andere wereld. De verbinding met het gebied ten noorden van de Zoom was verbroken. De brug aan de (toen) Moerstraatsebaan (nu Buitenvest) en de brug aan de Van Overstratenlaan waren opgeblazen, terwijl over de Zoomdam bovenaan de Pomonalaan (nu Stulemeyerlaan) met een betonnen tankwering was afgesloten. Wel was er nog een smalle dam aan het eind van de Zoom, die bereikt werd via het bedrijfsterrein N van het Groot Arsenaal, bij de zoutkeet. (de oversteek bij het smitsvest is van later datum)

Terwijl de stad feestte, maakten de militaire commandanten plannen voor de volgende zet in de niet aflatende strijd. Volgens Jan Luijten werden deze plannen besproken in de kelder van het huis van Bolwerk no 50 (huisnummering Bolwerk is gewijzigd). Zie ook ‘Canada en Noord-brabant, een band voor altijd’, 2002, uitg Aspekt Soesterberg, ISBN 90 5911 061 7.

Halsterseweg

Uit zijn gesprekken met veteranen vertelde Catsburg onder meer het volgende:
Op 28 oktober houdt de nieuwe commandant van de Argylls, Major William Stockloser, een bespreking. Hij had die ochtend de opdracht gekregen om De Zoom over te steken. Dat zou uiteindelijk twee dagen en meerdere pogingen vergen. Stockloser had enkele dagen daarvoor Colonel Steward vervangen, en deed afstandelijk. De bataljonsstaf was anders gewend en elk commando werd daarom gewikt en gewogen. Stockloser drukte zijn plannen door. Die zagen er als volgt uit:

Canadese veldkaart uit 1944

Canadese veldkaart uit 1944. Klik met rechter muisknop en open in een nieuw tabblad voor de grootste weergave.

Plan A. Vanaf 14.00 uur zou de artillerie een spervuur op de noordzijde Zoom leggen. De Lincoln en Welland zouden nabij de brug een schijnaanval uitvoeren, terwijl de C-compagnie aan de westkant van de Zoomdam onderdrukkingsvuur zou afgeven om de D-compie de kans te geven daar over te steken.
De artillerie opende het vuur volgens plan, maar de granaten vielen te kort. Onder de Lincolns vielen slachtoffers evenals bij de Argylls die zich klaar maakten voor de oversteek. De C-compie Argylls aan de westkant (Garnizoenspad) was om kwart voor 3 in positie voor vuurondersteuning. De Duitse tegenstander was echter alert. De D-compie kon zich niet verroeren zonder dat de machinegeweren vuurden. De C-compie lukte het niet om het Duitse vuur onderdrukken. De Duitsers zaten boven op de noordzijde van de Zoom (Boerenverdriet) ingegraven en in de huizen langs de rand van de Zoom. Door de inzet van zware wapens liep de aanval dood.

Plan B. Om 19:30 uur besprak Stockloser een nieuwe tactiek. Hij stelde voor om aan het uiteinde van de Zoom over te steken. (tussen het Groot Arsenaal en de Zoutkeet liep een pad, de haven van Bram Boer, zie bijgevoegde kaart) Vervolgens zouden de mannen dan via de smalle pier terug richting Zoomdam lopen. A-compie zou oversteken en via Boerenverdriet naar de Zoomdam lopen, de B-compie zou volgen. De D-compie zou een ander oversteekplek vinden te westen van de Zoomdam (Smitsvest?), nadat A- en B- ­compagnie waren overgestoken. Als afleiding zou het L&W regiment weer een schijnaanval maken. Dit keer ondersteund met Wasp vlammenwerpers. De aanval moest om half 10 van start gaan die avond.
Om half 10 ging de aanval inderdaad van start. Het werd wederom een faliekante mislukking. De artillerie was te laat en viel weer te kort en de actie van de Lincolns vond niet plaats door de paniek die ontstond. Twee pelotons van de A-compie kwamen over de Zoom bij het Boerenverdriet. De Duitsers hadden echter een machinegeweer klaar staan. Ze openden het vuur en er vielen slachtoffers onder de Canadezen. Ook lagen er mijnen en meerdere jongens lagen te kermen met een afgeblazen voet.

Plan C. De derde poging moest in het donker plaats vinden. Het plan voor de nacht van 28 op 29 oktober was een variant op de voorafgaande plannen. De A-compie moest aan de monding van de Zoom oversteken, de B-compie 30 meter ten oosten daarvan. Major Armstrong vertrouwde de situatie niet en zwom om 03:00 u midden in de nacht de Zoom over. Hij werd niet gezien. De Zoom was daar 2 meter diep en 6 meter breed. (zouden de Duitsers de waterafvoer geblokkeerd hebben? Red) Hij vond aan de overkant een voetpad langs het talud in de richting van de Zoomdam. Hij kwam terug en stelde voor om met drie rubberboten over te steken. De boten kwamen, maar bleken lek. Ander plan dan maar.

Een zgn PETARD, tank met korte loop bestemd om zware pantsering te vernietigen

Een zgn PETARD, tank met korte loop bestemd om zware pantsering te vernietigen

Plan D. Het volgende plan werd gemaakt om met drie compagnies tegelijk over te steken, terwijl de C-compie ondersteuningsvuur uitbracht vanaf de zuid­zijde zoom. Alle compagnies gingen ten westen van de Zoomdam over de Zoom, van west naar oost: A-compie, B-compie en D-compie.
De aanval ging van start. Wonder boven wonder waren er geen slachtoffers door mijnen. Het Zoomdal was toen nog niet zo dicht begroeid als vandaag de dag. Terwijl de mannen langs het talud liepen, gooiden Duitsers handgranaten naar beneden. Elk hoofd dat boven de rand van het talud kwam, werd beschoten. Een soldaat van de C-compie, Fraser, schakelde vanaf de zuidelijk wal twee Duitse scherpschutters uit, wat een verbetering gaf voor de mannen aan de overkant.
Om 08:00 uur zaten de A- en B-compie bij de Zoomdam aan de noordzijde. D­-compie was ondertussen ook overgestoken en bereikte  in de schemering de huizen op de hoek van de Halsterseweg. Een tweede groep   kwam onder Duits vuur. Er vielen doden en gewonden. Sgt. Tommy Dowell, doodde vanaf de zuidelijke wal een Duitser die gereed stond om het vuur te openen en meerdere mannen gingen uiteindelijk zonder kleerscheuren de straat over. De mannen die naar villa Nova wilden rennen hadden het zwaar, er zat een Duitse stelling links van het huis. De Canadezen op de noordzijde Zoom werden door het toenemende vuur van machinegeweren en mortieren gedwongen om de kelders van de huizen in te vluchten. Daar keken ze in de ogen angstige van burgers die dachten in de kelder veilig te zitten.

De deels opgeblazen blokkade op de Zoomdam

De deels opgeblazen blokkade op de Zoomdam

Robert Wiliams A Coy vertelde: “We lagen op een rij op het talud van De Zoom. Ik was zo bang. Mijn wapen was geladen, set to go. Wat we niet wisten was dat de moffen sluipschutters op de kanaalrand hadden en ze zaten ook in de bomen. De snipers wachtten tot we uitgestrekt lagen en toen begonnen ze ons een voor een af te schieten. Die kerel voor me werd geraakt. De moffen schoten hem door zijn wang. Ik hoorde later dat hij al zijn tanden kwijt was. De gewonde was zo in shock, hij stond op en liep terug naar de zuidzijde zoom. Niemand deed hem iets.
Ik was zo bang toen dat gebeurd was, dat ik met mijn vingers in de grond begon te klauwen. Ik wilde mijn hoofd in de grond steken als een struisvogel, zodat die niet geraakt kon worden. Al mijn nagels van mijn vingers lagen er af. Zulke dingen gaan door je hoofd op zo’n moment. Mijn sergeant werd kwaad, ik schiet je dood!, zei hij terwijl hij me beetpakte. Ik stak mijn geweer met de loop in de grond. Hij riep dat als ik nu mijn geweer zou gebruiken, het wapen in mijn gezicht zou ontploffen. Holy cripes, ik was zo bang”.

Pas om 15:30 klaarde de situatie op. Ondertussen was een Britse tank naar de tankmuur op de Zoomdam gekomen. De PETARD (tank met ondermijningsbom) moest de muur doorbreken. Dit mislukte. Een met de hand aangebrachte General Wade charge (een draagbaar explosief) lukte wel. De Algonquins kwamen met tanks van de British Columbia Regiment over de Zoom en de Argylls aan de noordzijde Zoom waren gered.

Moerstraatsebaan (nu Buitenvest)

Ook aan de Moerstraatsebaan, waar wasserij de Zoom net over de (door de Duitsers opgeblazen) brug staat is zwaar gevochten. Het bovenstaand ooggetuigenverslag vermeldt dit niet. Wellicht wist de groep bij de Halsterseweg dat niet eens; dat is niet duidelijk. Wel is er nog een verhaal van een Sergeant Charles Kipp, die deze strijd heeft overleefd en veertig jaar later zelfs nog in Bergen op Zoom terug is geweest.
Hij heeft dit beschreven in zijn boek “Because we are Canadians”. In de nacht van 28 op 29 oktober is Kipp met zijn groep de Zoom overgestoken. Captain Meredith Lambert en 13 man stuiten in wasserij De Zoom of haardenfabriek Beckers op een groepje Duitse parachutisten. Charles Kipp gaat hulp halen en is na zijn verzoek weer terug in de fabriek.
Ondertussen was de hulp al in de fabriek aangekomen om de sectie van Captain Lambert te ontzetten. Charles Kipp was in het gebouw op zoek naar zijn eigen sectie toen:
“……..ik zag een groepje van D-Company staan. Ik liep op de jongens af en zei, ‘kom mee, blijf hier niet staan’. Ik stapte door en liep voorbij het eind van een muur. Ik keek achterom om te kijken of de mannen van D-Company meekwamen. Tot mijn schrik zag ik een groep Duitsers aan de andere kant van de muur staan voor het levenloze lichaam van een jongen van D-Company. Ik stond met mijn rug naar ze toe en ik bevroor.
De Duitse officier hief zijn machinepistool op en richtte, hij kon niet missen. Hij was op enkele meters afstand. Ik kon niet omdraaien want voordat ik een beweging had gemaakt zou ik al dood zijn. Andere jongens die het gebeuren zagen, vertelden later dat de Duitser de trekker overhaalde maar dat het machinepistool niet afging. Ik heb dat zelf nooit gezien of me gerealiseerd.
Ik haalde mijn hand van de trekker van mijn geweer, zodat ik het met mijn linker hand beet hield aan de houten schacht van de loop. Ik wees naar een plek achter de Duitser en knikte met mijn hoofd om hem te wijzen op iets achter hem. Tot mijn verwondering liet hij zijn wapen zakken en draaide zich om. Achter de Duitsers was niks anders dan een gewondenpost met twee gewonde Duitsers. De Duitser begreep dat hij in de maling was genomen en met verschrikte ogen draaide hij zich terug. Ik had me omgedraaid en richtte mijn geweer op hem. Het enige wat ik moest doen was de trekker overhalen, maar hij had ook zijn wapen op mij gericht. Er was minder dan 2 meter tussen de monding van mijn en zijn geweerloop. We keken elkaar aan en durfden beide niet met de ogen te knipperen. Als ik zou schieten zou hij in een reflex mij neerschieten en vice versa. De enige uitwegen uit deze impasse was dat we beiden dood zouden gaan of dat we beiden zouden blijven leven. Zo stonden we daar, we bewogen ons niet ….
De Duitser lispelde iets uit zijn mondhoek tegen zijn kameraden terwijl hij me strak aan bleef kijken. De Duitse soldaten liepen weg, terwijl hij zelf langzaam omdraaide en een paar passen achteruit ging. Hij liep met snelle passen naar de uitgang van de ruimte en draaide zich om naar mij. Hij stond weer stil en keek me aan. Hij zwaaide een twijfelachtige groet. Ik hief mijn hand op en weg was de Duitser door de deur. Ik kreeg weer lucht en haalde diep adem.”

IJzingwekkend. Voor ons, ja, maar die Canadese jongens moesten gewoon dóór. Tot het noodlot eventueel anders zou beslissen. Charles Kipp heeft het gered, en uit het voorwoord in zijn boek bleek dat hij nog best wist waar hij in Bergen op Zoom geweest was. Daarin geeft D. Luijten hoe zijn vader na veertig jaar ontdekte dat die jongen met wie hij vlak voor de aanval op de Zoom een borrel had gedronken, het toch gered had. Hieronder is dat voorwoord als besluit van dit verslag herhaald. Ook in de Waterschans van 2002-3 wordt hier aandacht aan besteed.

In 1994 werd bij de 50 jarige bevrijding van Bergen op Zoom een herdenkingsdocumentaire over deze campagne van het Canadese leger gemaakt, getiteld Not in Vain. Deze is onlangs op YouTube gezet en daar te bekijken.

A TRIBUTE TO CHARLES KIPP

At a quarter past three in the afternoon on Friday, October 27, 1944, I saw a Canadian armoured vehicle entering the street in Bergen op Zoom where I lived in these days. I then realized that we were liberated af­ter over four years of occupation.
The day after, I met Charles Kipp for the first time. He and a young corpo­ral came into the basement of our house, where we had taken refuge from the fighting since the beginning of October. Our basement soon became an information and communication centre, where my father, a teacher of English, one of the few people who spoke English in those days, served as an interpreter between the Canadian and underground forces. It was in that cellar, on October 28, that Charles and his commander, Major Lambert, planned what later became known as het Battle of Bergen op Zoom, which took place that very night. After Lambert had left, Charles and the corporal prepared fcr battle.
My father poured three glasses of wine as a toast to their success in the battle. Only his hand trembled as they raised their glasses, and he asked why they, who faced possible death, were so steady. “Because we are Cana­dians,” they answered together. That became the title of Charles’s book about this war.
After that battle, Charles returned to our house, completely exhausted by many hours of fighting. On October 30, after having slept for a very long time, he described the battle to my father, and told him that the battle was even worse than the one he had fought at Falaise. At the end of that day, he left us to return to his unit; that was the last we saw of him. He did not re­turn to our town. Not until forty years later, when he returned to Bergen­op-Zoom as a war vereran, did we learn that he had survived the war. It was an emotional reunion, especially for my father, who was by then almost ninety years old.
As he describes the fighting in his book, the Battle of Bergen-op-Zoom was one of the ferocious battles of the Second World War. In October 1999, I visited Charles in Canada, and on October 28, we both raised our glasses in commemoration of the toast to the battle fifty-five years earlier in the cellar of our house in Bergen-op-Zoom. Dear Charles, we owe you and your comrades-In-arrns se much. We will always remember what your people did for us so that we could live our lives in liberty.
Canada can be proud of her son Charles and of his fellow soldiers
J.A.F.M. Luijten

Wij sluiten ons van harte aan bij de laatste woorden van Jan Luijten.

Omdat de reactiemogelijkheid op de website nogal wordt geplaagd door spam is deze voorlopig afgesloten. Stuurt u daarom svp een mailtje aan waterschans@ziggo.nl