Als deel van de viering van het 50 jarig jubileum hield de School voor Geschiedenis voor leerlingen en oud-leerlingen op 29 september 2018 in de Ontmoetingskerk een ‘academische zitting’ waarin terug werd gekeken naar de tijd waarin de Geschiedkundige Kring werd opgericht. Eigenlijk heropgericht, want in een verder verleden bestond er al een voorganger  met een zelfde aandachtsgebied.
Voor deze zitting had de School uitgenodigd historicus Han van der Horst, schrijver van het boek ‘De mooiste jaren van Nederland’. Hij heeft echter veel meer in zijn ‘palmares’. Zo is hij voorzitter van het comité Open Monumentendagen in Schiedam en is hij te horen in het VPRO programma OVT. Hij is echter ook niet vies van een aandachttrekkende stelling (‘Trump is een lul’)
Ter inleiding van deze spreker bood Jan Hopstaken, voorzitter van de werkgroep School voor de Geschiedenis een sociografische schets van de stad in de jaren zestig van de vorige eeuw. Een schets die dermate boeide dat hij moeiteloos uitgebouwd had kunnen worden tot een zelfstandig programma. (merk op dat er een herkansing komt op 3 december a.s.voor (oud-)cursisten van dé School)

Jan Hopstaken houdt een inleiding die een lezing op zich waard is.

Jan Hopstaken schetste met gebruikmaking van illustratieve dia’s de deplorabele toestand waarin de stad verkeerde na de wederopbouw die na de tweede wereldoorlog op gang kwam. De industrie bestond voornamelijk uit ijzergieterijen die hier hun bestaan opbouwden in de eerste helft van de twintigste eeuw vanwege de hoge werkloosheid en lage lonen die de (landbouw)bevolking in deze regio kende. Door meerdere oorzaken, waaronder de omschakeling op aardgas, kwam de klad in de ijzergieterijen. Kachels werden voortaan van plaatijzer gemaakt, maar ook de fabrieken met andere productsoorten moesten het afleggen tegen andere wijzen van productsamenstelling.
‘Gelukkig’ werd Bergen op Zoom aangewezen als ontwikkelingskern in een stimuleringsgebied. Dank zij financiële steun van het Rijk werd de aanleg van de Theodorushaven mogelijk waarmee andere bedrijven met een meer divers karakter zich vestigden. Zo kwamen Bruynzeel, Synthese, General Electric en Philip Morris als grote werkgevers in de stad. Vaak kwam wel het personeel van de vroegere vestigingsplaatsen mee. De stad groeide mee, de welvaart nam toe en in het kielzog daarvan de mobiliteit. De opkomst van de TV in elke huiskamer verruimde het venster op de wereld, en de jeugd kon, vaak als eerste generatie, gaan studeren. Het was alsof de stad ‘ontwaakte’, net als de rest van Nederland trouwens. Betere informatievoorziening bracht nieuwe inzichten, en de jeugd ontwikkelde zijn eigen vrijetijdsbesteding. Hades, Tenny Twenny, waren bekende uitgaansclubs in die tijd.

Een behoorlijke opkomst van (toenmalige) ‘teens’, ofschoon er ruimte was voor nóg meer

Dit was de situatie van de stad in de zestiger jaren, waarover Han van der Horst deze middag vulde met zijn presentatie.
Van der Horst vertrok zijn presentatie vanuit zijn eigen jeugd en daaruit voortvloeiende observaties. Hij was jong genoeg (geb 1949) om de jaren zestig bewust (en puberaal?) meegemaakt te hebben. Hij schetste de sfeer van die tijd in rake bewoordingen, zoals de woningnood die er toe leidde dat jonggehuwden voor langere tijd bij de ouders inwoonden, en dat ouders het kerkelijke huwelijk het ‘echte’ huwelijk vonden, bóven het wettelijke. Dat deze opvatting breed gedragen werd blijkt daaruit, dat toentertijd vaak een burgerlijk huwelijk werd aangegaan om daarmee eerder aan een eigen woning te komen. Pas als dat lukte, werd er écht getrouwd; voor de kerk.
Voor de uitzet werd gespaard bij de (katholieke) Volksbank (nu SNS bank) door wekelijkse inleg van een klein bedragje. Maar ook de ouders gebruikten deze spaarmethode; vader van der Horst kwam op zekere dag thuis met een écht televisietoestel. Dat kostte toen 958 gulden voor een beelddiagonaal van 53 cm.  (opm dat was dan zeker niet in de vroegste tijd, aanvankelijk waren de tv schermen heel wat kleiner) Even goed een enorm bedrag in die tijd, uitgedrukt in weekinkomens. Dat kon dus alleen middels sparen worden bijeengebracht.
Schiedam was toen een stad van 11.000 inwoners, en toch waren er behalve een katholieke en gereformeerde, ook nog een hervormde kerk. Mét hun bedienaren. De macht van de kerk(en) was nooit zo groot als toen; de hele samenleving was verzuild. Dat betekende dat je je hele leven doorbracht in instituten die tot die zuil behoorde waar je kerk de kern van was.
Dat wilde niet zeggen dat mensen geen eigen beslissingen namen; Pa van der Horst meende dat hij ‘zware lichamelijke arbeid’ verrichtte, en daarom niet aan de regels van de vastentijd behoefde te voldoen. Zo kwam het ook dat Van der Horst naar het gymnasium mocht; niet alleen de distillateurszoontjes hadden het recht van ‘doorleren’.

Van der Horst heeft geen enkele aantekening nodig om een goed opgebouwd verhaal te houden

Zijn plaatsing op het gymnasium bracht hem op een 2 daagse retraite in Dordrecht, waar de klas verwelkomd werd door een pater met de naam Peter, die warempel een stropdas droeg, en geassisteerd werd door een volgens van der Horst ‘bloedmooie meid’. Hij lichtte dit niet verder toe. Wel herinnert hij zich dat toen de film ‘Het zevende zegel’ van Ingmar Bergmann werd vertoond, waarin een ridder schaakt met de dood. Het speelt in een tijd waarin de pest heerste en heksenvervolging gewoon was. Door deze rétraite was Van der Horst naar eigen zeggen ‘in anderhalve dag gedestaliniseerd’. Op deze rétraite (1963) werd echter één onderwerp nadrukkelijk niét besproken. Wel hadden sommigen thuis wel een ‘boek’ waar dat onderwerp aan de orde kwam. Kortom, seksuele voorlichting bestond nog niet.

Een sprongetje in de tijd toonde hem als voortrekker bij de (thans genoemde) scouting waarbij hij voor de Jamboree (landelijk ontmoetingskamp) betrokken was bij de voorbereidingen van de katholieke kerkdienst, de mis. Deze werd toen in de Nederlandse taal gecelebreerd (een paar jaar eerder onbestaanbaar), waarin het Gloria vervangen werd door (een stuk uit) het (boek) ‘Nader tot u’ van Gerard Reve.
Van der Horst vraagt zich af waar zo’n ‘culturele revolutie’ binnen één persoon vandaan kwam. Die overigens niet uniek was; de hele samenleving was op die korte termijn ingrijpend veranderd. De babyboomers, de nazaten van de nozems (ook een randgroep) hebben dit in zijn ogen  niét teweeggebracht.
Als belangrijke maatschappelijke gebeurtenis noemt hij een uitspraak van Mgr Beckers, die in weliswaar omfloerste taal aangeeft dat je de toen nieuwe  (anticonceptie-)pil wel mag gebruiken, en verwijst daarbij naar de eigen verantwoordelijkheid. Deze ‘steunpilaar van de gevestigde orde’ stelde dat de soep de laatste eeuwen te heet werd opgediend.
Het vieren van de teugels door de gevestigde orde leidde er op de eerste plaats toe dat de ouders van deze babyboomers gebruik maakten van de ontstane vrijheid. Zo laten typisch katholieke bladen als de Gelderlander de Rome-getrouwheid los. Waarschijnlijk mede om het verlies aan lezers te beperken. Daarmee verandert de inhoud van dergelijke bladen. Allen Trouw blijft een conservatieve koers varen.
In de politiek zijn ook verschuivingen zichtbaar. Hans Gruijters en Hans van Mierlo richten als ‘losgeslagen katholieken’ de partij D’66 op. De politieke koers verschuift naar links. Desondanks raakt een krant als Het Vrije Volk in een vrije val, en wordt gereduceed van landelijke krant tot regiokrant van Rotterdam. De Volkskrant werd als progressieve krant het lijfblad voor de babyboomers van linkse signatuur. Dat is overigens inmiddels verleden tijd.

Het meest recente boek van Van der Horst, waarop zijn presentatie is gebaseerd

De tendens beweegt zich (als gevolg van meer welvaart?) meer richting vermaak en ontspanning. De oprichting van zenders als Veronica en Tros zijn daar een symbool van.
Het omroepbestel, dat na herinrichting de zendtijd proportioneel verdeelde naar rato van het aantal leden versterkte dit verschijnsel nog, en maakte tevens een einde aan de verzuiling in omroepland.
Wat er in de jaren zestig gebeurde was dat

  • we onze dogma’s kwijtraakten;
  • eigen keuzen maakten ‘omdat dat mocht’;
  • zoveel mogelijk van het leven (het nú) gingen genieten;
  • keuzen vooral individueel werden.

Hierdoor werd de hele samenleving individualistischer, en groepsverbanden ( incl. verenigingsleven) verslapten. Zo komen we terecht in de huidige tijd, de 21e eeuw die wordt gekenmerkt door individualisme. Van der Horst stelt dat ‘de mooiste jaren van Nederland tóen (de jaren zestig) waren, niet nú. Er ontstaat een nieuw pessimisme; waar dat toe leidt waagt Van der Horst niet te voorspellen, want ‘Voorspellen is moeilijk, vooral waar het de toekomst betreft’ (vrij naar Wim Kan).
Van der Horst presenteerde deze ontwikkeling als een tendens die in Nederland plaatsgreep. Een verbinding met gelijkaardige veranderingen in de rest van de wereld zou het zicht op de werkelijk ‘oorzaken’ van deze veranderingen bepaald duidelijker hebben gemaakt.

Uw reactie?